Vraagstukken werkcollege 1
Vraag 1: Een beetje historie...
In deze opgave gaan we de stralen bepalen van de Aarde, de maan en de zon. We volgen hierbij de denkwijzen en berekeningen die in de oudheid ook gebruikt zijn. Reeds eeuwen voor Christus was bekend dat de sterrenhemel afhankelijk was van plaats van beschouwing. De heldere ster Canopus bijvoorbeeld is niet zichtbaar vanuit noord- maar wel vanuit zuid-Europa. Uiteraard had men in de gaten dat de sterrenhemel met de verschillende sterrenbeelden om de aarde draaide, om een vast punt in de richting van het noorden. Men kende in die tijd vijf planeten die men ook wel dwaalsterren noemde. Pythagoras (500 vC) leerde al dat de aarde een bol was, echter meer uit mystieke dan uit fysische overwegingen. Aristoteles (350 vC) kwam met duidelijke argumenten, zoals achter de horizon wegzakkende schepen en de bovengenoemde zichtbaarheid van sterren. Ook begreep hij dat een maansverduistering het gevolg was van het vallen van de schaduw van de aarde op de (volle) maan, en hij merkte terecht op dat deze schaduw rond was!
<\p>
Vragen:
Bepaal met behulp van de bovenstaande gegevens achtereenvolgens:
a). De straal van de Aarde;
b). De straal van de maan;
c). De straal van de zon.
d). Vergelijk je antwoorden met de werkelijke waarden zoals we die
nu weten. Hoe nauwkeurig zijn die eerste berekeningen geweest?
Vraag 2: Schijngestalten Venus
Vragen:
a). Leg duidelijk uit (met behulp van een schets) of Venus als morgenster wassend of afnemend is.
b). Als je weet dat de grootste elongatiehoek die Venus maakt 47 graden
is, bereken dan de afstand tussen Venus en de zon (uitgedrukt in Astronomische
Eenheden).
Vraag 3: Afstand tot Mars
Het bepalen van de afstanden tussen de buitenplaneten (dat zijn planeten die verder van de zon af liggen dan de aarde) en de zon is wat lastiger dan in het geval van Venus. We bezien Mars. Tijdens een oppositie liggen zon, aarde en Mars precies op een lijn. Tussen twee opvolgende opposities liggen 2.14 aardse jaren. Benader de Marsbaan voor het gemak even met een cirkelbaan en bereken dan de lengte van het Marsjaar. Laat vervolgens zien dat als we Mars twee keer waarnemen, eerst tijdens een oppositie en vervolgens een Marsjaar later, we de afstand tot Mars kunnen berekenen. Maak een schets!
Vraag 4: Tijdsrekening
Op 1 november van dit jaar zal de zon in Greenwich (Engeland) om 11:43:35.61
universele tijd zijn hoogste punt bereiken. De zon heeft dan een declinatie
van -14o18'01.2" en een rechte klimming van 14h24m02.47s. In Greenwich
ligt de zgn. 0-meridiaan, dat is de meridiaan die ligt op een lengte van
0 graden.
De positie van Groningen is +53o07'42" N.B., 6o26'36"
O.L. Bovendien ligt Groningen 1 tijdzone bij Greenwich vandaan (d.w.z. onze
klokken lopen een uur voor in vergelijking met klokken in Engeland).
a). Bereken welke tijd ons horloge aangeeft op het moment dat de zon
hier in Groningen zijn hoogste punt bereikt (we noemen dat "transit") op
1 november.
b). Hoe hoog staat de zon op dat moment boven de horizon?
c). Waarom is het op ons horloge niet precies 12 uur wanneer de zon
zijn hoogste punt bereikt? Geef twee redenen hiervoor (en je horloge loopt
NIET verkeerd!)
d). Op 22 juni van dit jaar had de zon een declinatie van +23o26'19.6".
Hoe hoog boven de horizon stond de zon toen tijdens transit hier in Groningen?
Vraag 5: Parallax van de maan
Bij gelijktijdige waarneming vanuit verschillende lokaties "verspringt"
de maan. In 1752 deed men een goed voorbereide waarneming, vanuit
Berlijn en Zuid-Afrika. In Berlijn stond de maan 41o.2 ten
zuiden van het zenith, in Kaapstad 45o.0 ten noorden. Maak een
berekening van de afstand van de maan (gebruik makend van de diameter
van de aarde - 12800km en van het feit dat Kaapstad 85o ten
zuiden van Berlijn ligt). Maak schetsen van de situatie !!
Vraag 6: Massamiddelpunt aarde-zon systeem
Twee massa's draaien om een gemeenschappelijk massa middelpunt ("center-of-mass"),
zoals aangegeven in de tekening. Ga er bij deze vraag even van uit dat de
massa's beiden een cirkelbaan om dit massa middelpunt beschrijven.
a). Als je weet dat voor de centripetale kracht die op massa 1 wordt
uitgeoefend geldt:
laat dan zien dat voor dit systeem van twee massa's geldt:
b). Als je weet dat: massa zon = 1.99 x 1030 kg
straal zon = 6.96 x 105
km
massa aarde = 5.98 x 1024
kg
straal aarde = 6378 km
afstand zon - aarde = 1 A.E. (Astronomische
Eenheid) = 1.496 x 1011 m
c). De centripetale kracht op massa 1 wordt opgeheven door de zwaartekracht
op deze massa:
met a = r1+r2 en F de
zwaartekracht op massa 1
Vraag: Leid Newton's vorm van de derde wet van Kepler af, waarin voor de periode P van dit systeem geldt:
Vraag 7: Wetten van Kepler
Mercurius is de planeet die het dichtst bij de zon staat. Deze planeet
vertoont veel gelijkenissen met de maan (klein, geen atmosfeer, vol met kraters).
De zon is een enorm object, dat door zijn grote zwaartekrachtveld veel "gruis"
zal aantrekken. Het is dan ook niet gek dat het oppervlak van Mercurius veel
te lijden heeft van meteoriet inslagen. Zeker als je ook nog weet dat de planeet
geen atmosfeer heeft die een gedeelte van de inslagen kan afweren.
De baan van Mercurius is erg excentrisch (ellipsvormig). In het perihelium
is de planeet slechts 46 miljoen km van de zon verwijderd maar in het
aphelium bedraagt de afstand 70 miljoen km. De zon staat in het brandpunt
("focus") van deze ellipsvormige baan (1e wet van Kepler). De gemiddelde
afstand tot de zon ("halflange as" of " semimajor axis") is 57.9 miljoen
km ofwel 0.387 A.U.
Voor de snelheid van een object met massa m1 in een ellipsvormige
baan rond m2 geldt:
met r de afstand tot het object en a de halflange as van de ellipsbaan.
G = 6.67 10-11 N m2/kg2 (de zwaartekrachtconstante).
Vragen:
a). Bereken de snelheid die Mercurius heeft in zowel het perhelium als in het aphelium.
b). Bereken in beide punten het product van de snelheid v en de afstand tot de zon r die Mercurius heeft (vr) . Verklaar je resultaat in het licht van de 2e wet van Kepler.
De 3e wet van Kepler luidt:
P2 = ka3
met P de siderische periode van een planeet en a de halflange as. k is een constante die gelijk is voor elke planeet die rond de zon draait.
c). Bereken met behulp van de klassieke 3e wet van Kepler de periode van Mercurius (gebruik niet de wet van Newton) .
De Newton's vorm van de 3e wet van Kepler luidt:
d). Leg uit waarom in het geval van ons zonnestelsel deze wet van Newton
zich vereenvoudigt tot de 3e wet van Kepler.