Op 12 april viert Professor Adriaan Blaauw, emeritus-hoogleraar in Groningen en Leiden, zijn negentigste verjaardag.

Adriaan Blaauw studeerde in Leiden, werd in 1938 assistent bij Van Rhijn op het Kapteyn Laboratorium in Groningen, en proveerde daar in 1946. Een jaar eerder al werd hij conservator op de Leidse Sterrewacht; in 1948 werd hij benoemd tot lector. Van 1953 tot 1957 was hij verbonden aan de Yerkes and Mac Donald Observatories in de VS, vanaf 1956 als adjunct-directeur. Yerkes stond in die jaren aan de top van de Amerikaanse sterrenkunde, naast Mount Wilson and Palomar, en Blaauw had daar prachtige mogelijkheden voor zijn onderzoek. Maar toen hem in 1957 werd gevraagd Prof. van Rhijn op te volgen, keerde hij terug naar het Kapteyn Laboratorium. Dat was een grote sprong.


Een sprong in de diepte. Kapteyn had, in de jaren 1890-1920, met zijn onderzoek van het Melkwegstelsel Groningen wereldfaam bezorgd, maar het instituut had een heel kleine staf en het onderzoek was hard aan vernieuwing toe. Blaauw nam de uitdaging aan; de universiteit gaf hem sterke steun voor zijn ambitieuze plannen. Hij kreeg een 60-cm telescoop en een fors budget voor waarneemreizen, kon een groot aantal medewerkers aantrekken, het programma van het instituut moderniseren en uitbreiden met astronomische instrumentatie, radiosterrenkunde, en fysica van het interstellaire gas. Als hoogleraar-directeur bleek Blaauw en echte democraat, die zijn medewerkers bij al zijn plannen betrok.

Naast functies in Groningen en Nederland kreeg Blaauw een hoofdrol bij de voorbereiding van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht. In 1968 werd hij Wetenschappelijk Directeur van ESO en in 1970 Director-General. In Groningen behield hij nog slechts een kleine deeltijd-aanstelling, maar het Kapteyn Laboratorium was terug aan het front van de wetenschap, en zou in de jaren 70 door nauwe betrokkenheid bij Westerbork uitgroeien tot een vooraanstaand centrum van extragalaktisch onderzoek.

Tijdens Blaauws jaren als directeur groeide ESO uit tot een volwassen organisatie; de grote Schmidt-camera begon haar kartering van de zuidelijke hemel, en de 3.6-meter telescoop (toen de op een na grootste op het zuidelijk halfrond) kwam in 1976 in bedrijf. In 1975 keerde Blaauw terug naar Nederland; hij werd nu hoogleraar in Leiden en ging in 1981 met emeritaat.

Blaauw heeft prominent onderzoek gedaan over de vorming van sterren en de eigenschappen van jonge, hete sterren.  Hij toonde aan dat groepen jonge sterren ("associaties") geleidelijk uitdijen, maar ook dat sommige hete, jonge sterren zich met grote snelheden van hun geboorteplaats verwijderen.  In 1961 bekroonde hij dat werk met een magistraal artikel waarin het bestaan van zulke "hardlopers" werd verklaard als het gevolg van een supernova-explosie in een dubbelster: de supernova verliest in korte tijd een zeer groot deel van haar massa; de begeleider vliegt daardoor met grote snelheid uit haar baan.  Blaauw heeft dit werk later vervolgd met studies van de relaties van pulsars met "hardlopers", supernovae en hun geboorteplaatsen.

Tijdens zijn Groningse jaren redigeerde Adriaan Blaauw, tezamen met Maarten Schmidt van Caltech, een boek over de structuur van het Melkwegstelsel ("Galactic Structure", in de "Stars and Stellar Systems" Series), dat lange jaren HET handboek op dit terrein zou blijven.

Blaauw heeft bestuurlijk heel veel betekend voor de sterrenkunde, in Nederland en wereldwijd.  We noemen slechts een enkel punt. Hij was de eerste voorzitter (1979-1984) van de Stichting ASTRON, die de coordinatie van het sterrenkundig onderzoek in Nederland als taak had. Als President van de Internationale Astronomische Unie (1976-1979) wist hij - dank zij zijn grote diplomatieke gaven - China terug te brengen binnen de IAU, nadat het zich in 1961 vanwege de opname van Taiwan uit de Unie had teruggetrokken.  In de tachtiger jaren fungeerde hij als voorzitter van een commissie die het programma van de Hipparcos satelliet samenstelde. De KNAW en vijf buitenlandse Academies van Wetenschappen hebben hem tot lid benoemd.

Professor Blaauw geniet een uitstekende gezondheid, en neemt nog intensief deel aan het wetenschappelijk leven van het Kapteyn Instituut. Hij heeft boeken geschreven over de geschiedenis van de IAU en over de eerste jaren van ESO. Ook heeft hij onderzoek gedaan en gepubliceerd over de geschiedenis van Drentse boerendorpen, en is hij voorzitter geweest van het bestuur van het Drents Museum te Assen.

We danken de Redactie van "Zenit" voor toestemming tot overname van dit artikeltje uit het april-nummer.